De 'Hypotheekrenteaftrek': Een nationale obsessie
De hoeksteen van het Nederlandse huiseigendom
De hypotheekrenteaftrek, in de volksmond en politiek bekend als de hypotheekrenteaftrek, is wellicht het meest invloedrijke beleid in de Nederlandse woningmarkt. Sinds meer dan een eeuw maakt het huiseigenaren mogelijk om het rentedeel van hun hypotheekbetalingen af te trekken van hun bruto jaarinkomen voordat de inkomstenbelasting wordt berekend die zij verschuldigd zijn. De woning moet hun eigen woning. Het resultaat is een aanzienlijke verlaging van hun belastingdruk, feitelijk een overheidssubsidie die de maandelijkse kosten van het bezitten van een huis aanzienlijk lager maakt dan het anders zou zijn. Voor decennia is deze aftrek beschouwd als een heilige koe van de Nederlandse politiek, diep verankerd in de financiële planning van miljoenen huishoudens en een belangrijke motor van de culturele voorkeur om te kopen boven huren.
Politieke knutselwerkjes en geleidelijke vermindering
Jarenlang kon de rente tegen het hoogste marginale tarief van de persoon worden afgetrokken (wat meer dan 50% kon bedragen). Dit betekende dat de rijkste huiseigenaren de grootste subsidie ontvingen. Dit is een bron van intens economisch en politiek debat, waarbij critici beweren dat het huizenbubbel aanwakkert, tot buitensporige schulden aanzet, en sociaal ongerechtvaardigd is. Als reactie zijn recente overheden begonnen met een geleidelijk hervormingsproces. Het tarief waartegen de rente aftrekbaar is wordt geleidelijk verlaagd, jaar na jaar, richting één laag vast tarief voor iedereen (ongeveer 37%). Bovendien is de aftrek nu beperkt tot maximaal 30 jaar en is alleen beschikbaar voor hypotheken die actief worden afgelost (annuïteiten of lineaire hypotheken). Ondanks deze hervormingen blijft de aftrek een zeer aanzienlijk financieel voordeel en een enorme jaarlijkse last voor de overheid.
Invloed op huurders en de markt
De hypotheekrenteaftrek heeft diepgaande, grotendeels negatieve gevolgen voor de huurmarkt. Ten eerste, door de leenlast te subsidiëren, heeft het kunstmatig de huizenprijzen verhoogd. Dit maakt het moeilijker voor potentiële kopers om een aanbetaling te sparen en de markt te betreden, waardoor ze langer in de huursector blijven en daar de vraag vergroten. Ten tweede creëert het een financieel vooroordeel dat huren laat lijken alsof het 'geld weggooien' is in vergelijking met de gesubsidieerde koopoptie, waardoor politieke en maatschappelijke druk afneemt om de condities en rechten voor huurders te verbeteren. Het heeft een systeem gefaciliteerd waarin verhuurders (die, als zij een hypotheek hebben op een huurwoning in Box 3, de rente niet kunnen aftrekken) moeten concurreren met een sterk gesubsidieerde eigenwoningmarkt, wat de huren die zij moeten vragen beïnvloed om een rendement te halen.



















